Er is in de kerk een scheiding tussen het natuurlijke en het ‘bovennatuurlijke’ leven, moderne gelovigen leven vaak in twee verschillende compartimenten: doordeweeks tegenover de zondags, wereld tegenover kerk, wetenschap tegenover geloof, algemeen tegenover subjectief, openbaar tegenover privé, dokter tegenover dominee. Het geloof doordringt zo de natuurlijke dimensie van ons leven eigenlijk niet. Op het werk, in de kantine, onder vrienden, op school, in de universiteit, we zwijgen over God. Dit zwijgen is geïnternaliseerd en tot een gerespecteerde wetenschappelijke habitus verheven: de boedelscheiding. In de wetenschap knielen we voor het methodisch naturalisme: de gedachte dat je God niet mag inbrengen in een wetenschappelijke hypothese. Je merkt het in alle wetenschappen, ik noem slechts de psychiatrie, de fysica, de geschiedwetenschap. God is daar persona non grata. Ja zelfs in de theologie: iedereen kent het verhaal van de duplex ordo bij de universiteit van de toen nog Hervormde Kerk: Godgeleerdheid studeren terwijl je Gods bestaan tussen haakjes plaatst. Want zijn bestaan is iets voor kerkelijke hoogleraren, niet voor het algemene, wetenschappelijke domein.
Alvin Plantinga heeft als geen ander gepleit voor een andere invalshoek, hij noemde het ‘Augustinian Science’ (artikel van 1996).
Waarom Augustinus hier genoemd? Plantinga denkt hierbij aan de metafoor van de Stad Gods. In zijn De Stad Gods werkt Augustinus de gedachte uit dat er in dit leven twee steden zijn, de civitas Dei en de civitas Mundi. En tussen die twee steden is er een diepgaande strijd gaande. Want die wereldse stad richt zich niet op God maar op zichzelf. De Wetenschap, zegt Plantinga nu, gaat er stilzwijgend prat op dat er een derde ruimte is: een neutrale ruimte waar je zuivere wetenschap kunt bedrijven. Dat is niet zo. Dat moet je doorzien als Christen. Laat je dus niet imponeren door je atheïstische peers, door de dominante paradigmata. Start je wetenschappelijke arbeid bewust vanuit de aanbidding van je Schepper; ontwikkel hypotheses die passen bij het geloof; verwerp het naturalistische monopolie op de selectie van studieonderwerpen.
Richt je op – ik citeer Augustinus uit de stad Gods –
… de éne ware, algoede God, zonder wie geen enkele natuur bestaat, geen kennis onderwijst, geen praktisch handelen baat. Déze moet dan gezocht worden, in wie alles zijn samenhang heeft voor ons; Déze in het oog gekregen, in wie alles zeker is voor ons; Déze bemind, in wie alles goed is voor ons.[1]
Tot zo ver deze inleiding, ik wil nu verduidelijken wat dit concept van ‘Augustinan science’ betekent in de kerk. Ik kies drie voorbeelden. Een verzonnen (maar uit het leven gegrepen) sombere, depressieve persoon; een catechese situatie; het verscheurde lichaam van de éne kerk.
Jan loopt langzaam vast in het leven. Hij is 54, getrouwd, drie kinderen. Hij is introvert van aard, passief zegt zijn vrouw: ‘hij zit alleen maar op de bank te zappen, we doen nooit wat leuks.’ Op het werk voelt hij zich te veel: jongere collega’s kregen sneller promotie. De kerk ziet hij nooit van binnen, hij heeft geen levend geloof. Het gezin is een typisch los zand gezin: ze hebben weinig samen. Nu meldt Jan zich bij de huisarts met depressieve klachten: hij is lusteloos, somber, denkt soms aan zelfmoord. Moet zich elke dag naar het werk slepen, is niet vermagerd, eet gewoon, slaapt gewoon. Hij heeft geen psychiatrische geschiedenis. De huisarts schrijft antidepressiva voor en een aantal gesprekken bij de praktijkondersteuner. Na verloop van een jaar voelt Jan zich wel wat beter. De pillen hebben wel wat geholpen. Zij vindt dat er niet echt veel veranderd is: ‘er gaat nog steeds niets van hem uit’.
Never waste a good crisis zeggen ze: is dat hier gebeurd? Ik denk van wel. Veel gemeenteleden scheiden GGZ van geloof. Als je depressief bent ga je naar de dokter, niet naar de dominee. Ik denk dat deze man hierdoor zijn crisis heeft verprutst: He did waste his crisis. Deze man heeft de boedelscheiding zo sterk geïnternaliseerd, dat hij er niet aan dacht dat zijn somberheid en passiviteit wel eens met zijn diepste eenzaamheid te maken kon hebben, het feit dat hij nog steeds een slaaf in Egypte was. De Psalm: ‘in uw licht, zien wij het licht’, was nog niet voor hem gaan leven. Wat ik van dit medisch handelen vind? Ik denk – in alle bescheidenheid – dat de huisarts te snel antidepressiva gaf. Die zijn geïndiceerd bij ernstiger vormen van depressie. Marx zal zich in zijn graf nog eens op zijn achterhoofd krabben: niet godsdienst is opium voor het volk, maar antidepressiva. Ik ben niet tegen psychiatrische behandeling, maar dit is een sterk voorbeeld van Augustinus’ punt: richt je op de éne algoede God, zonder wie geen praktisch handelen baat. Alleen binnen de gerichtheid op God zullen we de juiste toepassing van de psychiatrie uiteindelijk vinden.
Dit portret is een voorbeeld van de effecten van de boedelscheiding. Ik plaats dit nog even in het licht van een ander recent voorbeeld van de werking van de boedelscheiding tussen geloof en psychiatrie. Er is nog te veel suïcide, meer dan het aantal verkeersdoden per jaar. De regering wil dus meer onderzoek. Bestaand onderzoek toont aan dat religieuze betrokkenheid beschermt tegen suïcide. Dat zou dus een interessant veld voor nader onderzoek opleveren. Maar waar gaat de geldstroom naar toe? Naar meer biologisch onderzoek. Want geld in de psychiatrie stroomt langs de categorieën van DSM-V. Dat is een internationaal classificatiesysteem binnen de psychiatrie. Deze sturing is niet waarden-vrij, het is een sterk biologisch, positivistisch georiënteerd classificatie systeem met – u raadt het – warme banden met de farmaceutische industrie. Stel daar tegenover het adagium van Plantinga: start je wetenschappelijke arbeid bewust vanuit je Schepper; ontwikkel hypotheses die passen bij het geloof; verwerp het naturalistische monopolie op de selectie van studieonderwerpen. Zelfmoord? Meer onderzoek naar neurotransmitters! Maar is de hypothese dat Jan gebukt gaat onder zijn eigen traagheid richting God niet een legitieme hypothese naast de DSM hypothese dat Jan last heeft van zijn serotonine huishouding. Maar dominee, is dat wel wetenschappelijk? Wat is Plantinga, bij het overdenken van die vraag, een steun. Waar ligt het conflict nu echt, zegt hij: tussen geloof en wetenschap of tussen ongeloof en wetenschap? Where the conflict really lies.
In de catechese kom ik Plantinga ook tegen. Ik mag al 25 jaar met jongelui werken en die hebben allemaal steevast hun existentiële vragen: bestaat God wel? ‘Als Hij er is, dan is het wel een geweldig verhaal’, zei een 18 jarig kapstertje me een keer. ‘Dat Hij zijn leven voor ons gaf. Maar bestaat God? Dat weet ik nog niet.’ Jeugd gaat vaak door die fase heen in onze cultuur. Het dominante paradigma kunnen ze niet ontlopen. Plantinga’s filosofie is behulpzaam bij die jongelui. Ik bespreek dat je ook het seculiere denken kritisch moet bevragen, dat er mythe’s in zitten; dat er heel sterke Godsbewijzen zijn; dat je die niet eens nodig hebt om in God te geloven omdat dat properly basic is: de slimmere vinden het geweldig leuk om te horen dat het bestaan van ‘the outer world’ epistemologisch in het zelfde schuitje zit als het bestaan van God. Kortom: sta op, laat je niet intimideren. En ik zeg natuurlijk dat het uiteindelijk van hun hart afhangt – stel je open voor die God die roept.
Tot slot, een woord over Plantinga en de verscheurde Nederlandse kerk. Onze kerken zijn verscheurd in de 19de eeuw. Toen drong het seculiere denken de kerk in. De kern van de zaak was dit: het methodisch naturalisme binnen de theologie graaide om zich heen. God werd methodisch buiten haakjes gezet, met name in de geschiedwetenschap. Dat gebeurde in de 19de eeuw anders dan nu: nu ziet men de natuur als een autonoom, probabilistisch geheel, toen als een autonoom deterministisch geheel, maar voor beide eeuwen geldt: de soevereine God is verbannen naar de bovennatuur: naar de zondag, het privé leven, de kerkelijke dogmatiek. In de kerk werd er op uiteenlopende wijze op deze ontwikkeling gereageerd. De vrijzinnigheid identificeerde zich met de natuur, de rechtzinnigheid met de bovennatuur. Een recent voorbeeld van het eerste: een professor NT van de PThU geeft aan dat zij onderzoek naar de goddelijkheid van Jezus historisch-methodisch ontoelaatbaar acht. Een voorbeeld van de rechtzinnigheid die zich binnen de bovennatuur verschanst: ik meen dat een zekere geslotenheid voor literair genre-onderzoek een geslotenheid voor de natuur impliceert. Beide zeiden gingen dus sinds de 19de eeuw op een pool hangen, zo hebben ze dus de boedelscheiding in feite aanvaard en verdiept. Ik heb hier niet de ruimte om dit breder te ontvouwen. Ik wijs slechts naar het medicijn: ik denk dat we de weg terug voor onze kerken kunnen vinden wanneer we ernst maken met het adagium van Plantinga: verwerp het naturalistische monopolie. Hiermee zal als eerste het naturalisme binnen de geschiedwetenschap en dus de wetenschappelijke exegese sneuvelen.[2] Ik sluit af met het dragend perspectief, dat Plantinga met zijn oeuvre krachtig heeft gesteund; en dat is dat Jezus Christus Heer is van de schepping. Door hem, zo zegt de brief aan de Hebreeën, heeft God de wereld geschapen. Dus ook de natuur en de geschiedenis is van Hem, verwijst naar Hem, staat open voor zijn handelen, ja zelfs voor zijn incarnatie.
[1] Civitate Dei, VIII: 4. … unum verum optimum Deum, sine quo nulla natura subsistit, nulla doctrina instruit, nullus usus expedit: ipse quaretur, ubi nobis seria sunt omnia; ipse cernatur, ubi nobis certa sunt omnia; ipse diligatur, ubi nobis recta sunt omnia.
[2] Wat dat betekent voor de kennisleer in de geschiedwetenschap heeft Ewald Mackay in een scherpe geschiedfilosofische studie laten zien, maar dat laat ik hier voor wat het is.
.jpg)