In de 19de eeuw gingen we geloven dat nationaliteit de ware gemeenschap schept. Toen wilden de internationale kameraden ons laten geloven dat de arbeidersklasse echte gemeenschap biedt. Toen dat verdampte was er de liberale illusie dat echte gemeenschap eigenlijk overbodig is: we zochten zonder het zelf echt te merken de ware gemeenschap in de afwijzing van iedere diepere vorm van gemeenschap. ‘Doe je eigen ding en voeg je in de massa van consumenten!’ Maar de leegte en schraalte hiervan begint ons op te breken. Je merkt het aan onze jeugd: hun stress en prestatiedrang. Ooit was burn-out iets voor ‘mid-life’, nu is het iets van twintigers. Hele groepen gaan dus weer teruggrijpen op het idealiseren van nationale gemeenschap als identiteit. Of identiteit door ‘wij-zij’. Je kon er op wachten. Waar vinden wij gemeenschap? Of is diepere gemeenschap onnodig? Is het gemeenschappelijk consumeren genoeg?
Ja, gemeenschap voor mensen is nodig zoals voor een vis het water. Er is echter maar één ware gemeenschap, die is in Christus. Daar vinden wij onze identiteit, in zijn gekruisigd lichaam en in zijn Opstanding. In de liefde van de Vader, de Zoon en de Geest vinden wij onze gemeenschap. Niet tegenover Israël, als hoogmoedige, eigenstandige kerk van Constantinopel, van Rome, Genève of Azusa street Los Angeles, maar als een nederige, wilde loot, geplant in de edele olijf van Israël en haar Messias (Rom. 11). Alle andere gemeenschappen blazen een deel-element van je ware zijn op tot je ware identiteit: het zijn lachspiegels. Nationale identiteit? Arbeidersgemeenschap? Gender? Handicap? Slachtoffer? Lachspiegels. Ook Constantinopel, Rome, Genève en Azusa street. Maar allemaal minder onschuldig dan lachspiegels op de kermis.
.jpg)